Describing Objects
Instructions:
Describe the objects you learned about in this lesson. Use both positive and negative characteristics to explain what they are like. Ex. There are five buildings. Two buildings are green. Three buildings are not green. They are black.
Er zijn zes kinderen. Vier kinderen zijn aardig, maar twee kinderen zijn niet aardig. Ze zijn boos en luid. Er zijn acht handdoeken. Vijf handdoeken zijn nat. Drie handdoeken zijn niet nat, ze zijn droog. Er zijn twaalf kaarsen. Twee kaarsen zijn wit, vier kaarsen zijn blauw en zes kaarsen zijn geel. Er zijn negen kameren. Zeven kameren zijn groot en licht, maar twee zijn nauw en lelijk. Er zijn tien koekjes. Negen koekjes zijn zoet en lekker, maar een koekje is niet lekker. Het is gebakken met veel zout!! ;-)
Submitted over a year ago
Ze zijn boos en luidruchtig. Er zijn negen kamers. Zeven kamers zijn groot en licht, maar twee zijn nauw en lelijk. Negen koekjes zijn zoet en lekker, maar één* koekje is niet lekker.
* een koekje is gramaticaal juist echter één koekje is duidelijker leesbaar.
Heel goed gedaan !
Very nice!
Goed gedaan!