Describing the weather
Instructions:
Describe the weather for five days, and explain what different people need for that weather. Ex. Today it is raining, and it is cold. The woman needs a raincoat and an umbrella.
Chris's submission: |
Average Rating:
|
Gisteren het weer warm was. Het meisje droeg een jurk.
Vandaag, het is koud. De jongen heeft een hoed gedragen.
Het weer ook zonnig is. Ik draag een zonnebril.
Wanneer het weer regenachtig is, de mannen dragen jasjes.
Ik houd van warm weer. Ik draag een T-shirt en een spikerbroek.
Submitted over a year ago
Gisteren was het weer warm was. Het meisje droeg een jurk. Vandaag, is het is koud. De jongen heeft een hoed gedragen. Het weer is
(ook )zonnig is. Ik draag een zonnebril. Wanneer het weer regenachtig is, dragen de mannen dragen jasjes. Ik houd van warm weer. Ik draag een T-shirt en een spijkerbroek.
The normal order in Dutch sentences is: subject- predicate. If the sentence begins with a provision, then inversion occurs.1. provision 2. the saying
3. the rest of the sentence.
Gisteren was het warm. Het meisje droeg een jurk. Vandaag is het koud. De jongen droeg een hoed. Het weer is ook zonnig. Ik draag een zonnebril. Wanneer het weer regenachtig is, dragen de mannen jasjes. Ik hou van warm weer. Ik draag een T-shirt en een spijkerbroek.
the verb has to come after the subject